Het Einde van D66

In 1993 sprak ik Kor Kegel, verslaggever van het Rotterdams Dagblad, tijdens een gebeurtenis in de Kunstenaarssociëteit aan de Westerkade; misschien was het de opening. De wereldpolitiek kwam ter sprake en ik vertelde hem dat ik een theorie had gepubliceerd over het einde van de natiestaat. Hij was geïnteresseerd en ik zegde toe dat hij het boek kon lenen. ‘The last bus to Kyrenia’ was het openingsessay van een dikke bundel van leden van de International Society for Philosophical Enquiry,

een club van mensen die goed zijn in het maken van intelligentietests. Ik heb het boek nooit teruggekregen en hij heeft het er nooit meer over gehad, dus nam ik aan dat Kor aan lezing niet meer was toegekomen. Een paar maanden na het verschijnen van het boek heb ik mijn lidmaatschap opgezegd omdat ik er achter kwam dat het niet een genootschap van gelijkgestemden was. Ik heb nooit gekoketteerd met m’n IQ want het komt zomaar aangewaaid en in de praktijk heb je er niets aan. Het is net zo iets als het vermogen geluiden boven de vijftigduizend hertz te horen. Daar heb je ook niets aan. Ik was dan ook heel verbaasd dat Kor Kegel vandaag in het ADRD schreef dat ik lid ben van van zo’n club. Dat heeft ie dan toch afgeleid uit dat boek. Ik hoop dat ik het nog een keer terugkrijg.

Die vermelding stond op twee pagina’s over de teloorgang van D66. In 1999 ben ik overgestapt van D66 naar de VVD omdat ik me daar beter thuis voelde. Hij wilde nu van een ‘prominente lokale ex’ weten hoe deze de toekomst van D66 ziet. Ik vertelde dat er vroeger een leeg speelveld zat tussen VVD, PvdA en GroenLinks waarin D66 kon stijgen en dalen. Die ruimte verdween toen de PvdA liberaler werd, GroenLinks redelijker en de VVD vooruitstrevender. Zonder die ruimte was D66 gedoemd te verdwijnen, was en is mijn mening. De veranderende VVD paste inmiddels veel meer bij mijn eigen visie op het liberalisme en de Rotterdamse VVD was en is een partij waar mensen prettig met elkaar omgaan en waar ik met open armen werd ontvangen.

Bij de kandidaatstelling voor de raadsverkiezingen van 1998 wilde John Marapin een goede kans maken om hoog op de lijst te komen. De leden van D66 versturen per post een formulier waarop de eigen voorkeurslijst wordt ingevuld. Hij vroeg aan zijn Hindoestaanse achterban (die grotendeels heel kort daarvoor was aangemeld als lid) om hem op één te zetten en volgens een bepaalde systematiek geen concurrenten direct onder hem te zetten. Dat had een overkill effect waardoor hij inderdaad op één kwam, gevolgd door onverkiesbaren en mensen die geen serieuze kandidaten waren. Hij had slim gebruik gemaakt van het kwetsbare democratische systeem. Ik verweet niet hem iets, maar ik nam het de partijafdeling en de andere kandidaten kwalijk dat zij het spreken over deze coup taboe verklaarden uit angst om politiek incorrect genoemd te worden. De ‘kansrijke’ kandidaten (waartoe ik mij ook mocht rekenen na vijf jaar succesvol voorzitterschap van de Adviesraad voor het Centrum) stonden dus allemaal laag; ik was in goed gezelschap. Ik was dus niet zozeer teleurgesteld dat ik zo laag stond, maar ik voelde mij zeer onprettig bij de hypocrisie van de partij.